Website
 Startpagina
 Over Score
 Contact
 Zoeken
Abonnees
Gebruikersnaam

Wachtwoord
 Aanmelden
Cinemusica Database
Zoeken  
  Componisten  
A-Z  
  Albums  
  Tracks  
Georges Delerue - Portret
Score 124, 30 12 2005



Georges Delerue, meester van de oprechte eenvoud - Verschenen in Score 124, september 2002

Tien jaar na de dood van Georges Delerue is de vraag terecht of hij nog steeds tot de grote filmcomponisten van na de oorlog gerekend mag worden. In de jaren ’60 werd hij beschouwd als Frankrijks meest vooraanstaande filmcomponist die op de golven van de Nouvelle Vague furore wist te maken met veelzijdige, veelal op klassieke leest geschoeide scores die schitterden in eenvoud van compositie evenals lyrische betovering. Was Delerue een virtuoos ambachtsman of was hij een inspirerend vernieuwer?

Hij werd geboren in 1925 in de Noord-Franse industriestad Roubaix als zoon uit een arbeidersfamilie. Door een ongeluk werd de jonge Georges gedwongen het bed te houden en ontstond er ruimte om zich muzikaal te ontwikkelen. Via diverse omwegen belandde hij op het prestigieuze Conservatoire de Paris waar hij onder meer les kreeg van de befaamde Franse componist Darius Milhaud. Deze stimuleerde de toen al onmiskenbare neoromanticus Delerue zijn heil te zoeken in de richting van de theater- en filmmuziek. In de loop van de jaren ’50 begon Delerue bij het leven te componeren, allereerst voor het theater (onder meer het festival van Avignon) en daarnaast steeds meer voor de film: korte films en commercials. In totaal zou hij muziek componeren voor 400 lange en korte films. Met een bijdrage aan de score van Hiroshima, mon amour (Resnais, 1959) kreeg hij eerste bekendheid in de filmwereld.

Cruciaal was het jaar 1960: met twee regisseurs begon Delerue een vruchtbare en lange samenwerking. Voor François Truffaut schreef hij de sfeervolle, trefzekere score voor Tirez sur le pianiste en voor Philippe de Broca maakte hij muziek bij diens debuutfilm Les jeux de l’amour. Met de eerste werkte hij elf maal samen (zie bijgaand artikel) en met de tweede liefst zeventien maal. De meeste films van De Broca waren komedies waarin naast de nodige humor een vleugje fantasie een rol speelde. Veel van deze scores waren luchtig, maar een humoristische swashbuckler als Cartouche (1962) ontlokte aan Delerue een imposante score à la Korngold.

Begin jaren ’60 groeide Delerue dankzij zijn magnifieke scores voor films als Jules et Jim (Truffaut, 1961) en voornoemde Cartouche uit tot de Nouvelle Vague-filmcomponist pur sang. Zijn kracht lag toen al in een feilloze beheersing aan bestaande beelden muziek toe te voegen die personage, achtergrond en sfeer een extra diepgang wist mee te geven. De enige samenwerking tussen Delerue en Jean-Luc Godard bezegelde het lot van Nouvelle Vague-componist nog eens extra. Delerue’s score voor Godard’s Le mépris (1963) is van een fenomenale en aangrijpende zeggingskracht. De immer eigenzinnige Godard liet de muziek te pas en te onpas in de film opduiken. De als een treurmars klinkende muziek begeleidt zowel de breuk tussen de echtelieden Brigitte Bardot en Michel Piccoli als de teloorgang van de kunstzinnige Europese film. In datzelfde jaar 1963 werkte Delerue voor het eerst voor een niet-Franse film, French Dressing, de debuutfilm van Engelsman Ken Russell. Deze was zo onder de indruk van Delerue’s kunst dat hij het jaar erop een documentaire over hem maakte, toepasselijk getiteld Don’t Shoot the Composer (een overduidelijke knipoog naar Truffaut’s eerste samenwerking met Delerue). Een jaar later begon zijn samenwerking met een andere Brit, namelijk Jack Clayton, voor diens The Pumpkin Eater.

Dat Delerue een veelzijdig componist was, bewees hij door zich niet alleen vast te leggen op poëtische, melancholische muziek. Al in de jaren ’50 had hij de nodige sporen in de jazzwereld verdiend. Films als Tirez sur le pianiste en L’insoumis (Cavalier, 1964) kennen prachtige, levendige jazzstukken die de noodlottige sfeer in beide films treffend weten weer te geven. De Broca’s L’homme de Rio (1964) liet Delerue ook van een moderne kant zien. En het adagio uit Comptes à rebours (Pigaut, 1970) is puur klassiek. Daarnaast schuwde Delerue overrompelende muziek niet, getuige films als Cent mille dollars au soleil (Verneuil, 1964) en bovenal A Man for All Seasons (Zinnemann, 1966), waarvan de grootse beginbeelden door indrukwekkende muziekklanken worden begeleid. Vooral deze laatste, met Oscars overladen en uiterst succesvolle film bezorgde Delerue een aantrekkelijk visitekaartje in Hollywood.

Internationaal gevraagd

Anno 1970 was Georges Delerue een veelgevraagd en gerespecteerd filmcomponist, niet alleen door de spraakmakende samenwerking met Truffaut, maar vooral door zijn toen al evidente handelsmerk, namelijk verstilde filmmuziek. Het jaar ervoor werd de samenwerking met Ken Russell gecontinueerd met diens doorbraak naar het grote publiek, Women in Love. Tevens voorzag Delerue twee Amerikaanse kostuumfilms van aanstekelijke period music: Anne of the Thousand Days (Jarrott) en A Walk With Love and Death (Huston). Voor de eerste ontving hij zijn eerste Oscarnominatie. Maar Delerue werkte ook in Italië (voor Bertolucci’s toch al volmaakte Il conformista (1970) componeerde hij muziek waarmee de titelfiguur extra psychologische diepgang verkreeg), in België (Mira (Rademakers, 1971)) en zelfs in Nederland (Angela (Van der Heyde, 1973)). De rest van de jaren ’70 stond grotendeels in het teken van de Franse film. De samenwerking met zowel Truffaut als De Broca werd bestendigd en een enkele uitstap richting Hollywood werd buitensporig gewaardeerd. Voor The Day of the Dolphin (Nichols, 1973) en Julia (Zinnemann, 1977) ontving hij Oscarnominaties en twee jaar later ontving hij voor een ietwat obscure score (A Little Romance (Hill, 1979)) zowaar een echte Oscar. De verlokkingen vanuit Hollywood werden steeds sterker en Delerue raakte daardoor in een moeilijk parket. Werken in de Franse filmindustrie was in die jaren voor een componist een heikele opgave. Budgetten voor filmmuziek kenden Franse films niet en dus kwam de score er bij elke productie steeds bekaaider af. Met een Oscar op zak leek zijn verhuizing dan ook aanstaande. Echter, in de jaren 1979-1981 won Delerue drie Césars op rij voor de beste muziek (respectievelijk voor Préparez vos mouchoirs (Blier, 1978), L’amour en fuite (Truffaut, 1979) en Le dernier métro (Truffaut, 1980)). In het licht van deze unieke overwinning moet menigeen dan ook stank voor dank hebben gedacht, toen Delerue in de loop van de jaren ‘80 de definitieve overtocht maakte. 

De Hollywoodjaren

Hoewel Delerue zich in 1983 in Hollywood had gesetteld, bleef hij regelmatig naar zijn vaderland terugkeren. De filmografie vanaf pakweg 1980 vermeldt voor de helft Franse films. Maar de uitvalsbasis was en bleef Hollywood. Hier kon Delerue onder prima omstandigheden en in grote vrijheid filmmuziek componeren, orkestreren en uiteindelijk dirigeren. Toonde men in Frankrijk weinig respect voor filmmuziek, in de Verenigde Staten stond een filmcomponist op gelijke hoogte met een componist van klassieke muziek. Echter, om nu te zeggen dat Delerue’s output van de jaren ’80 tot nieuwe hoogten heeft geleid, gaat te ver. Eerder vervolmaakte hij zijn vakmanschap en was een score van zijn hand steeds van constante kwaliteit, zij het niet altijd even inspirerend als menig illustere voorganger. In dit verband dient ook vermelding te worden gemaakt van de vele klassieke werken die Delerue tussen de filmbedrijven door bleef componeren. Indrukwekkende Amerikaanse scores waren onder meer Rich and Famous (Cukor, 1981), True Confessions (Grosbard, 1981), Silkwood (Nichols, 1983) en Agnes of God (Jewison, 1985) waarvoor hij een laatste Oscarnominatie mocht ontvangen.

Werken in een heuse filmindustrie die niet gespeend is van pure zakelijkheid en efficiency heeft echter zijn schaduwzijden. Dat ervoer Delerue enkele malen. Eerst bij de film Something Wicked This Way Comes (1983) van zijn vriend Jack Clayton. Delerue’s score werd vervangen door een score van de toen nog beginnende James Horner. En voor een van Delerue’s laatste films, Man Trouble (Rafelson, 1992), moest de score op last van de producent enkele malen worden herzien. Een andere bittere pil slikte Delerue bij de film Platoon (Stone, 1986) waar ten gunste van Samuel Barber’s Adagio for Strings weinig muziek van zijn hand overbleef.

Maar gelukkig diende zich in deze jaren een nieuwe samenwerking aan na het tragische heengaan van Truffaut in 1984, met wie Delerue nog tot en met zijn laatste film (Vivement dimanche! (1983)) had samengewerkt. Met de Australische regisseur Bruce Beresford begon hij in 1986 (Crimes of the Heart) een samenwerkingsverband dat tot aan zijn dood zou duren en waaraan hij veel waarde hechtte. Het is dan ook toepasselijk dat Delerue’s zwanenzang voor een film van Beresford was: Rich in Love (1993). 

Delerue’s dood vlak na zijn 67ste verjaardag werd algemeen als een schok gevoeld, niet alleen vanwege zijn innemende, warme persoonlijkheid, maar evenzeer vanwege zijn eenvoud in het componeren en zijn gave om middels zijn muziek reliëf toe te voegen aan een bestaande film. Over zijn betekenis voor de geschiedenis van de filmmuziek kan lang en breed van gedachten worden gewisseld, mogelijk is zijn faam enigszins verbleekt de afgelopen jaren. Vast staat in ieder geval dat zijn muziek een herkenbaar, gevoelig en oprecht stempel droeg en wellicht enig in zijn soort was en daarom niet te vergelijken met het werk van andere filmcomponisten. Zijn scores zijn het beluisteren altijd waard gebleven, met of zonder de film. En de eenvoud die zijn muziek telkens heeft gekenmerkt, siert ook zijn graf in Los Angeles.

Paul S.


Gerelateerde links
 Startpagina

Score 124
Andere artikelen:
The General - Met live muziek
Georges Delerue - Portret
Dubrulle / Ponnet - Gent 2002
Georges Delerue - Samenwerking met Truffaut
Boekbespreking - Filmjaarboek 2001
Opties
Printer VersiePrinter Versie
VersturenVersturen

Login: Redactie | Abonnees | Top Pagina


© 2005 Stichting Cinemusica | Website by RISQ Consultancy