Website
 Startpagina
 Over Score
 Contact
 Zoeken
Abonnees
Gebruikersnaam

Wachtwoord
 Aanmelden
Cinemusica Database
Zoeken  
  Componisten  
A-Z  
  Albums  
  Tracks  
Boekbespreking - The Sounds of Commerce
Score 119, 03 02 2006



Elke grote film heeft een populaire titelsong - Verschenen in Score 119, juni 2001

Dat met filmmuziek flink geld verdiend kan worden, bewees het overrompelende succes van Titanic drie jaar geleden. Liefst tien miljoen exemplaren van de soundtrack werden er alleen al in Amerika verkocht binnen een half jaar nadat de blockbuster in december 1997 voor het eerst in de Amerikaanse bioscopen werd vertoond. Dat het liedje van Celine Dion cruciaal was bij dit succes zal weinigen verbazen. Immers, was het nou de filmmuziek die de tien miljoen kopers in huis wilden halen, of was het ‘t liedje plus nog wat aardige muziek waarnaar de kopers verlangden? Titanic zou zeker niet misstaan in het boek The Sounds of Commerce, ware het niet dat het boek net ophoudt bij de jaarwisseling 1997/1998, dus net vóórdat het Titanic-geweld los zou barsten. Het boek verscheen in een reeks wetenschappelijke werken die onder de noemer Film and Culture verschillende aspecten van zowel Amerikaanse als niet-Amerikaanse films belicht. The Sounds of Commerce onderzoekt de rol die populaire filmmuziek heeft gespeeld vanaf pakweg 1960 tot vandaag de dag binnen de filmindustrie.

Liedjes van drie minuten

Jeff Smith staat allereerst stil bij de bescheiden commerciële rol die filmmuziek vóór 1960 heeft gespeeld.
Aan de hand van drie filmcomponisten (Mancini, Barry en Morricone) laat Smith vervolgens zien hoe filmmuziek in de loop van de jaren ’60 op inventieve en uitgekiende wijze een film extra onder de aandacht kon brengen. Bestonden soundtracks in de jaren vóór 1960 vooral uit variaties op één hoofdthema met als doel een typisch bij de film passende sfeer te creëren, met Breakfast at Tiffany’s (1961) vermengde Henry Mancini deze klassiek georiënteerde stijl van scoren met jazz- en popelementen. Uit dit mengsel ontstond een soundtrack met louter liedjes die in hun diversiteit de sfeer van de film prima wisten te bepalen. Het handige van deze hooguit drie minuten durende liedjes was dat ze buiten de film op de radio konden worden gespeeld wat zowel de film ten goede kwam als de elpeeverkoop aanzienlijk deed stijgen. Overigens was de muziek ook zonder de film zeer aantrekkelijk, hetgeen nog eens extra wordt onderstreept door het commerciële succes van de soundtrack. Door vooral Mancini’s verdiensten kreeg de popsong, waarop tot dan werd neergekeken, een volwaardige plek binnen de filmmuziekwereld. De grote filmmaatschappijen hadden dat gauw in de gaten en daarom startten zij binnen hun concerns grote muziekafdelingen die snel een graantje konden meepikken van het commerciële succes van soundtracks. Deze crosspromotion zorgde ervoor dat films en soundtracks elkaar wederzijds konden ondersteunen.

Na Mancini onderzoekt Smith John Barry’s score voor Goldfinger (1964) en Ennio Morricone’s score voor The Good, the Bad and the Ugly (1966). Net als Mancini was ook Barry uit de wereld van de populaire muziek afkomstig. En ook Barry wist met de titelsong te jongleren en nieuwe paden te bewandelen. De titelsong diende bij uitstek als promotional tool, hetgeen alle volgende Bondliedjes keer op keer bewezen.

De kracht van Morricone’s score schuilde in de moeiteloze aansluiting bij ontwikkelingen op de toenmalige popmarkt waar liedjes van drie minuten overheersten. Daarnaast stimuleerde hij het gebruik van nieuwe instrumenten en ontwikkelde hij een opmerkelijke zang (neuriën). Ook experimenteerde Morricone met leidmotieven, thema’s en bepaalde zijn muziek de opnamen van de film zelf (beeld en geluid hadden een gelijkwaardige rol). Ten slotte belicht Smith American Graffiti (George Lucas, 1973) waarbij ruim 40 bekende liedjes bij de ontwikkeling van het script als basis voor het verhaal dienden. De associaties die de liedjes bij de kijker teweeg brachten, kleurden op deze wijze de diverse karakters. En deze score leidde dan weer tot de onvermijdelijke compilatiescore, een vandaag de dag niet weg te denken soundtrackgenre dat vooral doorgewinterde filmmuziekliefhebbers een doorn in het oog is. Smith duidt op de verdiensten en commerciële voordelen die deze scores hebben.

Zoals gezegd houdt het boek begin 1998 op. Het zou interessant zijn geweest om te zien wat Smith met relatief nieuwe verschijnselen als internet (MP3) en dvd zou hebben gedaan als zijn boek tot pakweg 2000 zou zijn doorgelopen. Maar we leven in hectische, snelle tijden waarin dagelijks nieuwe ontwikkelingen ons leven kunnen bepalen. Wat blijft is een gedegen onderzoek naar de commerciële rol die populaire muziek de afgelopen vier decennia binnen de filmindustrie heeft gespeeld. Dat die rol nog lang niet is uitgespeeld illustreert de ontstaansgeschiedenis van een recente film als Magnolia (Paul Thomas Anderson, 1999). Net als bij American Graffiti bepaalden popliedjes de inhoud van deze film reeds in de ontwikkelfase!

Jeff Smith: The Sounds of Commerce. Marketing Popular Film Music. Columbia University Press, New York 1998. ISBN 023110863X. 288 blz. Prijs: ongeveer ƒ 55,-

Paul S.

Gerelateerde links
 Startpagina

Score 119
Andere artikelen:
Zwijgende films in concert - Vooruitblik
Oscar 2001: Oscar goes east
Jeff Rona - Portret
Filmmuziekserie Beurs van Berlage
Boekbespreking - The Reel World
Opties
Printer VersiePrinter Versie
VersturenVersturen

Login: Redactie | Abonnees | Top Pagina


© 2005 Stichting Cinemusica | Website by RISQ Consultancy