Website
 Startpagina
 Over Score
 Contact
 Zoeken
Abonnees
Gebruikersnaam

Wachtwoord
 Aanmelden
Cinemusica Database
Zoeken  
  Componisten  
A-Z  
  Albums  
  Tracks  
Boekbespreking - The Score, Interviews With Film Composers
Score 115, 03 03 2006



Boekbespreking: The Score, Interviews With Film Composers - Verschenen in Score 115, juni 2000

Originele vragen, verrassende antwoorden

Vaak vragen interviewers naar de bekende weg en krijgen daarom de bekende antwoorden. Zeker als het om filmcomponisten gaat. En dus horen we steeds weer over de moeilijkheden die er waren met de producenten en de regisseur, over hoe bewonderenswaardig de grote Hollywoodvoorbeelden wel niet zijn en hoe afkeurenswaardig al die modieuze popscores. Wat een verademing is het dan eindelijk eens een boek in handen te krijgen waarin niet (uitsluitend) naar die bekende weg wordt gevraagd, maar waarin, om dat veel misbruikte woord maar eens te gebruiken, wordt doorgevraagd. Waarin bovendien steeds weer een oprechte poging wordt gedaan componisten in een muzikale traditie te plaatsen - klassiek, modern-klassiek, jazz.

Voorwaarde is dat de interviewer over een grote kennis van muziek in het algemeen beschikt. En over die kennis beschikt Michael Schelle, auteur van The Score, Interviews With Film Composers, en dus komen de meeste van de ondervraagde componisten ‘los’. Ze hebben vrij snel in de gaten dat de vragensteller een connaisseur is en niet zomaar een liefhebber. Helaas houdt Schelle dat niveau niet in alle gesprekken vast, maar over het algemeen komen we van de meeste componisten meer te weten dan in de gebruikelijke standaardinterviews het geval is.

Voor zijn boek sprak de auteur met fameuze componisten als Elmer Bernstein, John Corigliano, Bruce Broughton , James Newton Howard, Terence Blanchard, Mark Isham en Christopher Young, maar ook met wat minder bekende mannen (er is maar een vrouw bij: Shirley Walker) zoals Daniel Licht, Joel McNeely en Paul Chihara. Treffende openingsvraag aan Chihara, onder andere bekend van Prince of the City en The Morning After: “In the 1970s, I thought that you were one of the great unsung composers of our time.” Antwoord: “I’m still unsung.”

No looking back

De interviews zijn te divers om er in kort bestek een representatieve indruk van te geven. Maar de inzet van Schelle is al snel duidelijk: hier hebben we te maken met iemand die als componist en universitair docent filmmuziek links had laten liggen, totdat hij zeven jaar geleden binnen het tijdsbestek van ongeveer drie weken en door een samenloop van omstandigheden een aantal opmerkelijke scores te horen kreeg, die hem tot het inzicht brachten dat hij zich al die voorgaande jaren de toegang tot een heel interessant muzikaal terrein ten onrechte had ontzegd.

Vandaar dat hij zulke interessante vragen stelt. Zomaar een voorbeeld is deze aan Bruce Broughton: “Franz Waxman hield van contrapuntisch componeren, van fuga’s en canons en vond altijd wel een paar scènes waarin hij dat soort intellectuele avonturen kon botvieren, denk aan Taras Bulba bijvoorbeeld. In hoeverre maken praktische beperkingen het tegenwoordig onmogelijk net als hij muzikaal gezien wat al te intellectueel te doen, wat al teveel te analyseren?” Ik bedoel maar: zo’n vraag gaat wel wat verder, en is ook een stuk origineler, dan het gebruikelijke gezucht en gesteun over de artistieke beperkingen die de componist nu weer ondervond. Het antwoord van Broughton is trouwens minstens zo interessant, maar dat krijg je met goede vragen. Lees maar na, het staat op pagina 119.

De mooiste resultaten leveren de gesprekken op die Schelle had met John Barry, Howard Shore en Thomas Newman. Om met de laatste te beginnen: hij blijkt een grote tegenstander van het historisch cliché, dat ik altijd had vermoed. “Star Wars”, legt Schelle hem voor, “blikt muzikaal gezien terug naar het verleden: naar Korngold, Steiner, de Gouden Hollywood-Era. Waar kijkt jouw werk voor The Player of The Rapture op terug?” (Schelle had ook kunnen vragen naar American Beauty natuurlijk, maar hoewel recent, zo up to date is zijn boek nu ook weer niet.) Newman heeft een duidelijk antwoord: “No looking back! That’s what fun about it.” Een stuk verderop zegt Newman dat hij zich eraan ergert dat zoveel componisten almaar hommages blijven brengen aan de grote voorbeelden. Soms, weet hij, kan het helaas niet anders: “Tot op zekere hoogte zijn we daar allemaal de gevangene van.” Hij beaamt zelfs dat zijn score voor Little Women ook gebukt gaat onder het soort muzikale stoplappen dat hij zo graag wil vermijden.

Newman doet wel meer opmerkelijke uitspraken. Zo meent hij dat het in sommige gevallen veel beter is af te zien van een oorspronkelijke score en te kiezen voor bestaande (pop-)muziek. “Raging Bull is daarvan een perfect voorbeeld. Als iemand originele muziek had geschreven voor die film dan zou die niet half zo goed zijn geweest,” zegt Newman. Hij begrijpt best waarom Martin Scorsese, Robert Altman en Woody Allen niet (altijd) kiezen voor een filmscore. “Het zou het drama maar goedkoop maken.”

De interviews met John Barry en Howard Shore zijn daarom zo fraai, omdat ze tal van onvermoede aspecten van beide componisten belichten. Barry wordt nu eindelijk eens geplaatst in de Britse muzikale traditie van Vaughan Williams en Edward Elgar, en losgezongen van al die James Bondfilms die hem maar blijven achtervolgen - zie vooral de mooie opmerkingen over zijn score voor The Day of the Locust - en Howard Shore wordt neergezet als de grote filmcomponist die hij is. Over Naked Lunch zegt Shore: “Het is een van mijn beste soundtracks die je ook zelfstandig op cd kunt beluisteren, los van de film. But I think I could just do a record; I don’t need a movie.”

Dat hoort Schelle graag, zo lijkt. Niet voor niets raakt Shore met die uitspraak ongewild de achilleshiel van zijn boek. De auteur heeft naar mijn smaak namelijk iets teveel oor voor de muziek en wat te weinig oog voor de films. Vandaar dat hij bijvoorbeeld Daniel Licht kan typeren als een talentvol componist, hetgeen ongetwijfeld terecht is, maar zwijgt daarbij over het feit dat diens scores veelal parels voor de zwijnen zijn: de bijbehorende films zijn namelijk ronduit ‘shit’.

Andere merkwaardige omissie is dat Schelle zich beperkt tot Amerikaanse, althans tot Hollywood-componisten. Dat is niet goed te begrijpen, temeer omdat hij in zijn inleiding gewag maakt van mensen als Toru Takemitsu, Alfred Schnittke en Wojciech Kilar, als behorend tot de allergrootsten onder de filmcomponisten. Goed, ze zijn niet allemaal meer onder ons, maar er is meer dan Amerika alleen. Schelle moest daar zijn volgende interviews maar eens aan wijden.

Michael Schelle - The Score, Interviews With Film Composers. Uitgave: Silman-James Press, Los Angeles, 1999, f 53,50

HM

Gerelateerde links
 Startpagina

Score 115
Andere artikelen:
Boekbespreking: U.S. Soundtracks on CD
Saturn - Portret
Boekbespreking - The Score, Interviews With Film Composers
Legendary Movie Orchestra - Portret
James Newton Howard - Portret
Opties
Printer VersiePrinter Versie
VersturenVersturen

Login: Redactie | Abonnees | Top Pagina


© 2005 Stichting Cinemusica | Website by RISQ Consultancy