Website
 Startpagina
 Over Score
 Contact
 Zoeken
Abonnees
Gebruikersnaam

Wachtwoord
 Aanmelden
Cinemusica Database
Zoeken  
  Componisten  
A-Z  
  Albums  
  Tracks  
Patrick Doyle - Portret
Score 110, 14 04 2006



Op zoek naar de ziel van een film - Verschenen in Score 110, maart 1999

Een portret van componist en acteur Patrick Doyle

1989 Was het jaar van Patrick Doyle’s grote doorbraak, het jaar van zijn inmiddels klassiek geworden score voor Henry V van acteur/regisseur Kenneth Branagh. Prins Charles was zelfs zo onder de indruk van deze muziek dat hij Doyle vroeg ter ere van de negentigste verjaardag van de Koningin-moeder een liederencyclus te schrijven op basis van vier beroemde Engelse gedichten. Patrick Doyle had zijn visitekaartje afgegeven, zijn reputatie was gevestigd.

Vorig jaar had Score-medewerker Robert Hoshowsky een gesprek met de gevierde componist, die inmiddels weer opgeknapt was na een vervelende ziekte. Dat gesprek was mede aanleiding voor het volgende portret.

Patrick Doyle werd geboren op 6 april 1953 in Bells Hill, Lancashire, Schotland en verhuisde al snel naar Berkenshaw in Edington (dat soms ook wel als zijn geboorteplaats wordt opgegeven). Nadat hij was afgestudeerd aan de Royal Scottish Academy of Music and Drama, werkte Doyle enige jaren als pianoleraar. Later was hij actief als acteur en componist voor de Britse televisie. Eind jaren tachtig ontmoette hij acteur/regisseur en Shakespeare-fan Kenneth Branagh en sloot zich aan bij diens Renaissance Theatre Company waar hij niet alleen werkte als acteur en componist, maar nu ook als ‘musical director’. Theater was zijn eerste liefde en afgaande op wat hij daarover in de afgelopen jaren heeft losgelaten, is het dat gebleven.

Dat er zoiets als filmmuziek bestond ervoer Doyle pas voor het eerst, zo vertelde hij enige jaren geleden, bij het kijken naar de BBC-serie Robinson Crusoe. De karakters spraken niet veel en het verhaal werd verteld door een voice-over. De muziek deed de rest, zo herinnerde Doyle zich. Het maakte bij hem het besef los dat filmmuziek kennelijk een uiterst dramatische uitwerking kon hebben. Maar het bleef daarbij toch eerder een genre om te beoefenen, dan om naar te luisteren. En nog steeds laat Doyle zich bij zijn composities voor film niet gemakkelijk beïnvloeden door andere filmscores of filmcomponisten; hij is ook niet zo’n kenner eigenlijk. Doyle lachend: “Ik wist lange tijd niet wie degenen waren die filmmuziek schreven. Maar dat heeft ook een voordeel: I am never offended when people don’t know who I am!”

Natuurlijk bewondert hij deze of gene; vaak laat hij de namen vallen van lieden als Jerry Goldsmith, John Williams, Bernard Herrmann, David Raksin en vooral Henry Mancini. Eén van de weinige boeken die Doyle bezit over het componeren voor film is niet voor niets Mancini’s standaardwerk over het onderwerp. Invloeden op Patrick Doyles werk komen vooral uit de twintigste-eeuwse klassieke muziek: Bartók, Prokofjev, Sjostakovitsj, de Russische school in het algemeen. En dus  niet van een door collegacomponisten vaak genoemde man als Richard Wagner - die schreef muziek waar hij een beetje bang voor is. Wel is de invloed van de Keltische (zang-)traditie terug te horen in Doyle’s werk. Dat hij een hartstochtelijk zanger is, komt dan ook voort uit die traditie. Ook Patrick Doyle’s vader, moeder en beide zussen zijn gepokt en gemazeld in de zangkunst. Zijn ouderlijk huis was gevuld met de stemmen van alle grote tenoren en sopranen, maar ook met die van populaire zangeressen als Vicki Carr, Ella Fitzgerald en Lena Horne. Dat in Doyle’s scores nogal eens gezongen wordt is dus ook niet zo merkwaardig. Fraai voorbeeld is de score voor Into The West, een weinig bekende film van Mike Newell, waarop Doyle’s zuster Margaret als zangeres is te horen. Overigens, zo meent Doyle, gaan Oosterse of Russische muzikale invloeden en Keltische volksmuziek heel goed samen: er is nogal wat verwantschap. (Voor de liefhebber: vooral in de zogenaamde modale structuren.) 

Ziel

Doyle beschikt, zo zegt hijzelf, over een instinctief gevoel voor drama. Componeren voor film en theater is voor hem grotendeels een kwestie van intuïtie. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat hij elke compositie vrijwel steeds begint met een vorm van improviseren. Hij is een behoorlijk goede pianist en dat biedt hem de mogelijkheid “to improvise against the picture”, zoals hij zelf zegt. Zo komt hij op de thematische ideeën, die de stutten zijn onder het bouwwerk van zijn scores. Gek genoeg staat hij er zelf nog steeds paf van hoe aldus verkregen uiterst simpele thema’s zeer complexe muziek kunnen opleveren.

Doyle gebruikt geen elektronica, althans niet bij het schrijven, hooguit om de regisseur een indruk te geven van de score in wording. Nee, Doyle vertrouwt nog altijd op het aloude handwerk: hij schrijft zijn composities netjes uit. Goede maatjes is hij daarbij met Lawrence Ashmore, zijn orkestrator bij menig project. De man heeft meer dan 35 jaar ervaring in de filmbusiness en werkte als leerling nog mee aan Lawrence of Arabia. Ashmore’s bijdrage aan met name de wijze waarop Henry V klinkt is niet te onderschatten. Doyle heeft veel van hem geleerd, dat is wel zeker.

Doyle houdt ervan te proberen de ziel van een film te pakken te krijgen, en het geeft hem dan ook altijd een heel goed gevoel als blijkt dat zijn muziek het effect heeft van een afzonderlijk karakter in de film. Schrijven voor een ‘compleet’ orkest heeft daarbij niet zijn expliciete voorkeur. De manier waarop hij het orkest of delen van het orkest inzet, is een afspiegeling van de aard van de film.

Voor de Franse productie Une femme française bij voorbeeld, schreef hij zeer delicate muziek. En voor Kenneth Branaghs versie van Hamlet schreef Doyle kamermuziek voor kwartet, kwintet en octet. Het fraaie gangsterdrama Donnie Brasco met onder anderen Al Pacino is ook zo’n film die een ‘grote’ score niet zou kunnen verdragen. Doyle schreef zachte, spaarzaam ingezette muziek. Doyle relativerend: “Sowieso klinken 55 musici heel vaak als een orkest van zeg 85. Dat is maar helemaal afhankelijk van waar en hoe je ze opneemt”.

Een ander treffend voorbeeld van Doyles bij tijd en wijle zeer delicate benadering is Sense and Sensibility. De muziek laat zich het best omschrijven als effectief maar terughoudend, zoals ook de emoties van de voornaamste karakters ingehouden zijn. Groots werk daarentegen - en dat in de meest letterlijke zin - leverde hij met Needful Things (Doyle: “A huge score. Absolutely colossal. All my friends got to sing in the choir, so it was fun.”) en voor Kenneth Branagh’s versie van Frankenstein. Deze laatste score is in al zijn operateske stilering zeer ambitieus: zo wilde Doyle niet alleen het obsessieve in het gedrag van Victor Frankenstein weergeven, maar ook diens liefde voor Elizabeth en de eenzaamheid van het monster. Buitendien waren er nog zulke ‘alledaagse’ filmsequenties als een achtervolging en een scène in een ijsgrot, die om een speciale muzikale ‘behandeling’ vroegen.

Ook voor Indochine van Régis Wargnier schreef Patrick Doyle een ‘grote’ score. Daarbij was hij zich goed bewust van het feit dat het verhaal zich weliswaar afspeelde in Vietnam, maar dat dit gegeven niet verhinderde dat de atmosfeer van de film in essentie Frans was, omdat het ging om Fransen in een voor hen vreemde cultuur. Vandaar dat er naar zijn smaak nagenoeg geen plaats was voor oriëntaalse, zeg maar gerust exotische elementen in de filmscore. Doyle schreef weloverwogen een ‘westerse’ score: niet elke componist zou zo consciëntieus opereren in het belang van de film.    

A good tune

Doyle is een eclecticus: daarom is hij bij voorbeeld ook niet vies van een elektronisch hulpmiddel op zijn tijd. Synthesizers en dergelijke zijn volgens hem heel goed in het ‘opvoeren’ van de bassen in een orkest of om bepaalde kleuren aan het orkestrale palet toe te voegen. Doyle: “But they will never replace the sound of real musicians playing real instruments.” Ook met Carlito’s Way van Brian De Palma (volgens Patrick Doyle overigens een van de intelligentste mensen in de filmwereld) bewijst Doyle zijn eclectische instelling: hij componeerde voor het begin en het einde een elegie, maar schreef ook nog zulke uiteenlopende stukken als een fraai liefdesthema gespeeld op de piano, een opwindende achtervolging en een paar bluesachtige en jazzy tracks.

Met sommige regisseurs, niet alleen met Brian De Palma, klikte het van meet af aan goed, volgens Doyle. Dat dit ook met acteur/regisseur Richard Benjamin bij de totstandkoming van Mrs. Winterbourne het geval was, is volgens Doyle te wijten aan hun beider gemeenschappelijke achtergrond als acteur. Want ofschoon Doyle tegenwoordig het best bekend is als componist, heeft hij, als gezegd, zijn sporen verdiend als film- en toneelacteur. Zo heeft hij in bijna alle films van Branagh waarvoor hij de muziek geschreven heeft, ook een rolletje gespeeld. Hij was een zingende soldaat in Henry V, een politieman in Dead Again en Balthasar in Much Ado About Nothing. In Branaghs Hamlet speelde Doyle de rol van Osiric, maar alleen in het theater, in de filmversie treedt hij niet op. Daar staat overigens wel tegenover dat hij voor Branagh’s vier uren in beslag nemende versie van Shakespeares beroemdste stuk maar liefst twee uur muziek schreef, waarvan er uiteindelijk vijf kwartier op cd terecht kwam, toch ook bepaald geen onverdienstelijke prestatie.

Hoewel Doyle al meerdere malen met dezelfde regisseurs gewerkt heeft - behalve met Kenneth Branagh ook met Mike Newell en de Fransman Régis Wargnier - is hij uiterst terughoudend om te spreken van vaste verbintenissen. Doyle: “Ik verwacht nooit dat een regisseur een tweede keer bij me terugkomt. Eerlijk waar. Ik weet immers: elk project is totaal verschillend van het vorige”. Ook met Branagh, zijn meest steady relatie, was dat het geval: diens Peter’s Friends had een popscore van Jimmy Hugh.

Doyle houdt ervan om in een vroeg stadium bij een filmproject betrokken te raken. Met Kenneth Branagh is hij in ieder geval gewend zo te werken (“The only thing Ken demands is a good tune”, heeft hij ooit gezegd), maar dat kan nu eenmaal niet altijd. Altijd weer zijn er crises in een productie, telkens weer wijkt men van het schema af of worden de deadlines (opnieuw) verschoven. Doyle verwoordt nog maar eens de eeuwige smeekbede van alle filmcomponisten: “Vaak bedel ik om meer tijd, maar het resultaat is meestal dat ik gewoon lange dagen moet maken.” Het is en blijft hun onverbiddelijke lot.

HM 

Gerelateerde links
 Startpagina

Score 110
Andere artikelen:
Patrick Doyle - Portret
Boekbespreking - Georges Delerue: Une vie
Geschiedenis van de Oscar Beste Muziek (deel 4) - Serie
Opties
Printer VersiePrinter Versie
VersturenVersturen

Login: Redactie | Abonnees | Top Pagina


© 2005 Stichting Cinemusica | Website by RISQ Consultancy