Website
 Startpagina
 Over Score
 Contact
 Zoeken
Abonnees
Gebruikersnaam

Wachtwoord
 Aanmelden
Cinemusica Database
Zoeken  
  Componisten  
A-Z  
  Albums  
  Tracks  
In memoriam - John Dankworth
Score 158, 05 11 2010



WEGBEREIDER VAN JAZZ IN DE BRITSE FILM

Ter nagedachtenis aan John Dankworth


Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat Saturday Night and Sunday Morning in première ging. De eerste lange film van Karel Reisz geldt als een sprekend voorbeeld van de Britse Free Cinema beweging en maakte door zijn realistische weergave van het arbeidersmilieu en een fenomenale hoofdrol van nieuwkomer Albert Finney diepe indruk. Minstens zo bijzonder was de jazzscore die jazzmuzikant John Dankworth voor de film had geschreven. Met enkele destijds opmerkelijke jazzscores zorgde hij ervoor dat jazzmuziek in de jaren ´60 een begrip werd in de Britse film. Eerder dit jaar overleed de Britse jazzcomponist en saxofonist die in zijn vaderland als de meest vooraanstaande jazzartiest van de vorige eeuw wordt gezien.


De in 1927 in de Londense voorstad Walthamstow geboren John Dankworth (foto) – of Johnny zoals hij in zijn beginjaren werd genoemd – groeide in de loop van de jaren ´50 van de vorige eeuw uit tot een van de belangrijkste Engelse jazzartiesten. Zijn basisinstrumenten waren de saxofoon en de klarinet en met zijn eigen Johnny Dankworth Orchestra boekte hij successen tot in de Verenigde Staten. Dankworth schreef zijn eerste score voor de korte film We Are the Lambeth Boys (1958) van Karel Reisz. Aanvankelijk zag Dankworth niets in het componeren voor film, hij keek er zelfs op neer. Reisz overtuigde hem echter van de voordelen en de magie van het componeren voor film. In de biografie Cleo & John vertelt Dankworth: ʽMet We Are the Lambeth Boys kwam ik erachter hoe belangrijk muziek is voor een film en hoe belangrijk het is voor een componist om niet alleen geïnspireerd te worden door andere muzikanten, maar ook door mensen uit andere kunsten.ʼ ¹

Na deze eerste samenwerking lag het voor de hand dat Reisz voor zijn eerste lange film wederom een beroep zou doen op Dankworth. Saturday Night and Sunday Morning ging in oktober 1960 in première en staat vandaag nog steeds te boek als een mijlpaal in de Britse cinema. Naast de realistische filmstijl en het acteren van een nog jonge Albert Finney als rebelse angry young man maakte destijds ook de jazzscore indruk. Gespeeld door het Johnny Dankworth Orchestra (met Dudley Moore op piano) kent de score naast een aantal jazzthema´s het inmiddels legendarische liedje Let´s Slip Away dat tijdens de kermisscène weerklinkt. Het pakkende nummer werd gezongen door Cleo Laine, met wie Dankworth twee jaar daarvoor in het huwelijk was getreden en die de zangeres van zijn band was. Beiden vormden tot aan Dankworths dood op 6 februari van dit jaar het first jazz couple van Engeland. Opmerkelijk is dat beiden apart werden geridderd door koningin Elizabeth: Laine werd in 1997 tot Dame benoemd en Dankworth in 2006 tot Sir en daarmee waren zij een van de weinige echtparen waarvan beide echte-lieden een zelfverdiende titel droegen.

Losey

Een dag na Saturday Night and Sunday Morning ging The Criminal in première. Deze atypische gangsterfilm van de Amerikaanse regisseur Joseph Losey stond bij die première nogal in de schaduw van de film van Karel Reisz die toen alle aandacht opeiste. Toch is The Criminal voor Dank-worth een belangrijkere film. Het is een rijkere score dan die van Saturday Night and Sunday Morning: Dankworth versterkt in The Criminal het onbehagen in de gevangenis door tijdens de zogeheten herriescène aan het begin van de film de muziek ritmisch aan te passen aan het ritme van de herrieschoppende gevangenen. Tijdens het oproer later in de film benadrukt de muziek de gekte van de rebellerende gevangenen met beukende drums die het ritme van de jungle, zoals de gevangenis wordt gepresenteerd, nabootsen. Heel af en toe doet de muziek zelfs modernistisch aan zoals tijdens de dramatische ontknoping. En dan is er nog de voor die tijd bijzondere plek die geluid (met of zonder muziek als partner) inneemt. In tegenstelling tot Reisz gaf Losey Dankworth genoeg ruimte om te experimenteren met het voor hem tamelijk nieuwe medium filmmuziek, bijvoorbeeld met het ontroerende liedje Thieving Boy (in de film Prison Ballad geheten en gezongen door Cleo Laine) dat gedurende enkele scènes een cruciale rol speelde. Losey woonde anno 1960 alweer een aantal jaren in Londen en kende de toenmalige Londense jazzwereld goed. Hij zocht voor deze film een jazzmuzikant die hij in Dankworth vond. Losey beschouwde Dankworth als een van de weinige eersterangs Engelse jazzmusici die filmmuziek serieus namen. ² Niet alleen gaf diens score The Criminal een Amerikaanse feel, belangrijker nog was dat met deze film een vruchtbare samenwerking tussen regisseur en componist begon die tot een aantal opmerkelijke creaties zou leiden. 

Nieuw terrein veroverde Dankworth een jaar later toen hij de muziek voor de eerste reeks van The Avengers (1961-1964) schreef waaronder het eerste Wrekers-thema ooit. Hij zou nadien veel voor de Britse televisie blijven werken. Na een top tien hit in 1961 met African Waltz en een gastoptreden in de jazzfilm All Night Long (1962) begon hij aan de score voor de film die Losey tot een begrip zou maken waarmee voortaan rekening diende te worden gehouden: The Servant (1963). Net als bij The Criminal verleende de grotendeels jazzy score de film een moderne dimensie. Evenzeer waren de rol van het geluid (de klok, de kraan etc.) en een wederkerend liedje (All Gone, wederom gezongen door Cleo Laine, ditmaal op tekst van scenarioschrijver Harold Pinter) kenmerkend voor de soundtrack van The Servant. Dankworth ontwikkelde zich vooral met deze film als filmcomponist door het hoofdthema te spelen in een mix van jazz en klassiek, een thema op saxofoon te laten beginnen gedurende een langere clubscène met source music en uiteraard tijdens de destijds beruchte orgie aan het einde van de film, waar fluisterende, haast atonale klanken de degeneratie en de machtswisseling van meester en bediende begeleidden. 

Halverwege de jaren ´60 was Dankworth een gewild filmcomponist. De in die dagen florerende Britse film zorgde dan ook voor voldoende emplooi. Voor het artistiek en commercieel succesvolle Darling (1965) van John Schlesinger schreef hij onder meer een sprankelend hoofdthema en een pavane voor Diane (Julie Christie), waarna in datzelfde jaar de thrillers Return from the Ashes en Sands of the Kalahari volgden. In 1966 had Dankworth succes met het hilarische thema voor de titelfiguur uit Morgan: A Suitable Case for Treatment (een hernieuwde samenwerking met Reisz), een hippe nieuwe film van Losey (Modesty Blaise) en The Idol, een curieus drama met Jennifer Jones. Van dit drietal springt vooral Modesty Blaise eruit, niet alleen door een sterk titelthema dat meer in de toenmalige popmuziek thuis hoorde (tijdens de begintitels gezongen door het duo David & Jonathan), maar vooral door enkele vrolijke nummers die het midden hielden tussen pop en jazz. 

Traditioneel

Na een vierde film voor Losey (Accident, 1967) liep de samenwerking echter stuk. Voor het prestigieuze project Boom! met Elizabeth Taylor en Richard Burton schreef Dankworth een symfonische score die door Losey werd afgewezen. Vervolgens werd Michel Legrand gevraagd, maar die hield het na één dag al voor gezien. Ten slotte schreef John Barry de score. Meer succes, en dan vooral commercieel, had Dankworth met het nummer Bossa Palma Nova uit de onschuldige agentenparodie Fathom (1967) waarin Raquel Welch de titelrol speelde en met haar fraaie rondingen vanzelfsprekend de meeste aandacht trok. 

De score is met zijn easy-listening-ambiance een nogal traditionele aangelegenheid. Het luistergenot van de melodieuze score is er echter niet minder om. In feite is Fathom een weliswaar korte, maar verder pakkende score zoals John Barry en Henry Mancini die destijds moeiteloos uit hun mouw wisten te schudden. De score omvat een aanstekelijk hoofdthema, muziek voor actiescènes en coole nummers met een humoristische kwinkslag, dat alles getoonzet in licht galmende jaren ´60 cocktailmuziek die gepaard gaat met koorzang à la Mancini.

De jaren ´60 luidde Dankworth uit met vooral commerciële films die de tand des tijds nauwelijks hebben doorstaan zoals Salt and Pepper (1968), The Magus (1968) en The last Grenade (1969). 10 Rillington Place betekende in 1971 Dankworths voorlopig laatste filmscore. In deze wrange thriller zijn slechts vijf korte stukjes te horen die het zieke brein van seriemoordenaar John Christie benadrukken. De fluisterende klanken zijn noch jazz noch klassiek; ze doen door hun spaarzame inzet en kale uitvoering eerder denken aan minimal muziek. Tegen Ab van Ieperen ³ zei Dankworth in 1974 dat hij zich meer bezighield met de carrière van zijn vrouw die steeds vaker op tournee ging, vooral in het buitenland. Ook was de zin in het scoren grotendeels verdwenen. Wel zag in datzelfde jaar Movies ´n´ Me het licht, een elpee waarvoor Dankworth enkele van zijn film-successen uit de jaren ´60 in een nieuw arrangement had opgenomen met een speciaal voor deze opnames samengesteld jazzgezelschap bestaande uit grote namen uit de Britse jazz.

Comeback

Voordat Dankworth in 1960 met twee jazzscores naam maakte, waren er in Engeland reeds enkele films verschenen met jazzmuziek. Een jaar eerder had jazzmuzikant Chris Barber voor Tony Richardsons Look Back in Anger de muziek geschreven en ook Sapphire uit hetzelfde jaar kende jazzklanken (Dankworth had als saxofonist op de soundtrack meegespeeld). Na 1960 was Dankworth een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste jazzmuzikant, die jazz tot een niet weg te denken bestanddeel van de Britse filmmuziek heeft gemaakt, zonder overigens echt vernieuwend te zijn zowel als muzikant als filmcomponist. Met de komst van John Barry en The Beatles medio jaren ´60 deed vervolgens de popmuziek zijn intrede en raakte jazz wellicht wat uit de mode. Het was dan ook een aangename verrassing toen Dankworth in 2000 voor Gangster No. 1 van Paul McGuigan met een onvervalste jazzscore een mooie comeback maakte. De stijlvolle, goed in het gehoor liggende score is rijk aan jazzthema´s en klinkt soms opvallend cool, precies wat deze kruising tussen Quentin Tarantino en Guy Ritchie nodig had. De oude meester kon nog steeds scoren en bovendien had hij de tijdgeest ook nog eens stevig te pakken. Als bewijs van zijn belang voor de Britse filmmuziek verscheen vlak vóór zijn dood de dubbelverzamelcd Let´s Slip Away die één cd met filmmuziek en één cd met muziek voor televisie omvat.  
             
PS

¹ Graham Collier, Cleo & John: A Biography of the Dankworths (Londen, 1976), p. 71.

² David Caute, Joseph Losey: A Revenge on Life (Londen en Boston, 1994), p. 12. 

³ Ab van Ieperen, interview met John Dankworth, Filmfan 3, april 1974.

Gerelateerde links
 Startpagina

Score 158
Andere artikelen:
Cd-recensies
Boekbespreking - Multiculturele filmmuziekgeschiedenis
In memoriam - John Dankworth
Meirmans/Snitker/Wiegel - Interview
John Debney - Interview
Opties
Printer VersiePrinter Versie
VersturenVersturen

Login: Redactie | Abonnees | Top Pagina


© 2005 Stichting Cinemusica | Website by RISQ Consultancy